Bezetting en eerste oorlogsmaanden
De oorlog kwam in het najaar van 1914 bijzonder snel en hard aan in Moorslede en Dadizele. Tussen 10 en 19 oktober 1914 werd de grote molen op de Kezelberg in brand gestoken. Op 18 oktober werd er in de omgeving van Dadizele hevig gevochten tussen Britse en Duitse troepen. Een dag later, op 19 oktober 1914, vielen de Duitse troepen zowel Moorslede als Dadizele binnen. Het werd een zwarte dag in de geschiedenis van beide dorpen en het begin van vier jaar Duitse bezetting.
In Moorslede werd in de late namiddag het centrum ingenomen. Burgers die zich in kelders hadden verscholen, werden verplicht terug naar hun woningen te gaan. Door de Eerste Slag om Ieper kwam Moorslede in volle frontlinie te liggen. Het dorp werd het eerste achter de Duitse linies en groeide uit tot een belangrijke rust- en verblijfsplaats voor het Duitse leger, met onder meer een hospitaal, casino en wasplaatsen.
Ook in Dadizele vestigden de Duitsers zich snel en structureel. Ze namen hun intrek in de grootste en mooiste woningen. Huizen werden omgebouwd tot hulpposten, het kasteel werd ingericht als “General Kommando” en in ’t Wit Huis op de Plaats (de woning van senator De Bats uit Gent) kwam een commandopost. De kerk deed dienst als rustplaats en zelfs als stalling; de toren werd gebruikt als uitkijkpost. De meisjesschool op de Plaats en een woning in de Kleppestraat fungeerden als verpleegposten. Wanneer er onvoldoende gebouwen beschikbaar waren of wanneer huizen vernield raakten, werden houten barakken opgetrokken voor de soldaten.
In september 1914 werden de 53ste en 54ste Reservedivisie ingericht binnen het 28ste Korps; zeker de 54ste Divisie was in Dadizele aanwezig. In beide dorpen organiseerden de Duitsers parades en optochten, zowel in de centra als in het park van het kasteel, om hoog bezoek te eren, indruk te maken op de bevolking en als propaganda-instrument.
Leven onder bezetting en dwangarbeid
Vanaf oktober 1916 werden ook inwoners van de regio geconfronteerd met dwangarbeid. Opgeëiste arbeiders moesten gemiddeld tien uur per dag werken, voornamelijk aan wegen, maar ook aan loopgraven, spoorlijnen en andere militaire infrastructuur. Ze verbleven verplicht in houten barakken, vaak omgeven door prikkeldraad.
De zogenaamde Civilarbeiters uit Kortrijk en omliggende gemeenten werden ’s nachts ondergebracht in barakken aan ’t Peerdeke langs de weg Roeselare-Menen. Vandaar werden ze dagelijks naar het front gevoerd. Ook Dadizelenaars werden ingezet in onder meer de ‘Munitionlager’ tussen den Ommeganck en de Geluwestraat, waar trambanen en versterkte munitiehangaars werden aangelegd. Sommige inwoners werden zelfs naar Duitsland gestuurd om daar voor de oorlogsmachine te werken.
Vlucht, evacuatie en ballingschap
Reeds vanaf het begin van de oorlog kozen sommige inwoners van Dadizele voor de vlucht. Ze trokken in bij familie, of vluchtten op eigen initiatief naar Frankrijk of Engeland. Priester René Ingelbeen richtte vanaf 1915 in Engeland scholen op voor Belgische kinderen, onder meer in Londen.
In oktober 1917 namen de gevechten in West-Vlaanderen sterk toe in hevigheid. Zowel in Moorslede als in Dadizele werd de bevolking uiteindelijk verplicht geëvacueerd. Tijdens de Derde Slag om Ieper (juli–november 1917) werden de inwoners aan beide zijden van het front weggehaald. De Moorsledenaars trokken eerst naar Roeselare en vervolgens richting Limburg. In oktober 1917 werd ook Slypskapelle voor het eerst volledig ontruimd.
In Dadizele volgde de evacuatie in fases: eerst het centrum, daarna de zones tot aan de weg Roeselare–Menen en uiteindelijk ook de rest van het dorp tot aan de spoorlijn van Ledegem. Op 16 oktober 1917 werden de inwoners onder meer naar Herne, Balen, Sint-Katelijne-Waver, Londerzeel en Wolvertem overgebracht. Een groep Dadizelenaars belandde aanvankelijk in Tollembeek, waar ze naar eigen zeggen koel en wantrouwig werden onthaald. Ook daar heerste armoede door de oorlog. Nog dezelfde dag werden de vluchtelingen te voet of met paard en kar overgebracht naar Herne, waar ze beter werden opgevangen in zaal De Kring. Het Plaatselijk Comité voor Hulp en Voeding zorgde dagelijks voor soep, brood, smout, varkensvlees en kleding. Boeren brachten stro zodat ook wie geen bed had, kon slapen.
De dag nadien werden de vluchtelingen verdeeld over Galmaarden, Tollembeek, Vollezele, Herfelingen, Edingen, Herne en Oetingen. In Herne verzorgde pater Louis Dobbeleer, kapucijnenpater uit het klooster van Izegem, elke zondagmorgen een speciale vluchtelingenmis.
Het samenleven vergde aanpassing, maar geleidelijk kwam er integratie op gang. Tijdens en na de oorlog werden kinderen van Dadizeelse vluchtelingen geboren in Herne, Tollembeek en Galmaarden, deden ze er hun communie, trouwden Dadizelenaars met inwoners van die gemeenten en overleden er ook vluchtelingen. De geschiedenis zou zich herhalen tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar dan in omgekeerde richting, wanneer inwoners uit Groot-Galmaarden als vluchteling terechtkwamen in onder meer Ledegem, Zwevegem en Dadizele.
Tegelijkertijd moesten in Dadizele de kloosterzusters op 31 juli 1917 met het miraculeuze Mariabeeld vluchten naar Lendelede en later naar Balen. Hulppriester Pater Louis bracht de kerkschatten onder bij de Kapucijnen in Izegem. In augustus en september 1917 vonden meerdere bomaanvallen plaats (8-9 augustus, 16-17 augustus en 27-28 september). Er vielen geen Belgische slachtoffers, maar wel veel Duitse doden. Dadizele liep zware schade op.
Moorsledenaars in Frankrijk
Heel wat inwoners van Moorslede vluchtten tijdens de oorlog ook naar Normandië, meer bepaald naar Cany-Barville. Die keuze was geen toeval: er bestonden al handelsrelaties (vooral in de vlassector), Moorsleedse seizoensarbeiders werkten er in de bietenteelt en bovendien was de kasteelheer van Dadizele, die veel gronden bezat in Moorslede, ook kasteelheer in Cany-Barville.
Een aantal Moorsleedse families vond er een nieuw leven en keerde nooit meer terug naar hun geboortedorp. Uit dankbaarheid voor de gastvrijheid en om de historische banden opnieuw aan te halen, nodigde de gemeente Moorslede in 2008 het bestuur van Cany-Barville uit. Op zondag 30 november 2008 bracht het Franse college een officieel bezoek aan Moorslede.
Dat bezoek leidde tot verdere samenwerking. In juli 2009 richtte de cultuurraad een werkgroep op om de verbroedering te versterken. Op 25 april 2010 trok het gemeentebestuur van Moorslede, samen met leden van de Heemkundige Kring, op tegenbezoek naar Cany-Barville. Daar werd een bijeenkomst georganiseerd met afstammelingen van Moorsleedse families die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Normandië waren opgevangen.
Bevrijding in 1918
Op 28 september 1918 startte het grote eindoffensief. Die dag slaagde het 17de linieregiment er in de Keiberg in te nemen en door te stoten via de Waterdamhoek tot aan de weg Moorslede-Dadizele. Het 16de linieregiment had rond 16.30 uur het centrum van Moorslede in handen en het 7de linieregiment stootte door tot aan het kruispunt Sint-Pieter. Die avond sloot de 8ste infanteriedivisie af met de bevrijding van Moorslede. De tol was echter heel groot en vele landgenoten lieten op de hellingen vóór Moorslede het leven. Voor Moorslede betekende dat het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Terugkeer en wederopbouw
Vanaf 12 november 1918 keerden de eerste Dadizelenaars terug naar hun zwaar getroffen dorp. In beide gemeenten begon een moeizame wederopbouw. Er werden noodwoningen opgetrokken, vaak eenvoudige houten barakken. Meubels en huisraad werden gezocht aan het front; zandzakken deden soms dienst als matrassen.
In Moorslede startte de heropbouw in het voorjaar van 1919 met steun van de Dienst der Verwoeste Gewesten (Office des Régions Dévastées). De gemeente veranderde in de jaren ’20 in één grote bouwwerf. In 1919 waren slechts 1.200 van de 7.800 inwoners teruggekeerd. In de Roeselaarsestraat kwamen houten legerbarakken die dienst deden als kerk en school. In de Stationstraat ontstond de tuinwijk De Blokken, ontworpen door de Brusselse architecten Bytebier en Schaessens.
Ook in Dadizele bouwden arbeiders van het Fonds du Roi Albert woningen, maar ook een school, rusthuis en hospitaal (1919-1920). In 1919 werd de eerste 1-meiviering gehouden: tussen het puin op de Plaats werd een meiboom geplant. Op 9 juni brachten leerlingen van het Klein Seminarie van Roeselare het Mariabeeld terug naar Dadizele, waar een grote openluchtviering plaatsvond. Het beeld kreeg tijdelijk een plaats in de voormalige Jongensschool in de Ketenstraat. De kerk werd in de jaren ’20 hersteld.
Nalatenschap van de oorlog
Omdat Moorslede dicht bij het front lag, begroeven de Duitsers hun gesneuvelden in het dorp. In totaal waren er ongeveer twaalf Duitse militaire begraafplaatsen. Vandaag is er geen enkele meer: alle graven werden overgebracht naar andere militaire kerkhoven.
De Eerste Wereldoorlog liet diepe sporen na in Moorslede, Slypskapelle en Dadizele. Wat vandaag rustige dorpen zijn, lag ooit midden in een van de hevigste frontzones van Europa.






















